Een gevarieerde provincie

provincie gelderland

Volgend jaar is het tweehonderd jaar geleden dat de provincie Gelderland het levenslicht zag.(1) Als territoriale en bestuurlijke eenheid bestond ‘Gelre’ natuurlijk al veel langer – het voormalig hertogdom was in rang zelfs eerste van de zeven stemhebbende gewesten van de Republiek (2), maar in 1814 werd zij een van de toentertijd negen Noord-Nederlandse provincies.(3) Met de soevereiniteit van de gewesten, zoals die ten tijde van de Republiek had bestaan, was het vanaf die tijd voorgoed gedaan. Datzelfde gold voor de vooraanstaande positie van Gelderland. Het Koninkrijk der Nederlanden werd een eenheidsstaat, met aan het hoofd een vorst (van Oranje) en met door hem benoemde adellijke ‘zetbazen’ (gouverneurs) in de provincies.

De provincie Gelderland is van oudsher een lappendeken van regio’s, die allemaal een eigen identiteit hebben. Toen in 1938 onder redactie van P.J. Meertens en Anne de Vries het boek De Nederlandse volkskarakters verscheen – tot de Tweede Wereldoorlog waren raciale en ‘volkskarakterologische’ eigenschappen geliefde onderwerpen van (wetenschappelijk) onderzoek -, meenden de samenstellers te kunnen volstaan met één beschrijving van ‘de Groningers’, ‘de Friezen’ en ‘de Drenten’ en ‘de Zeeuwen’, ja zelfs maar met één van ‘de Limburgers’. Voor de beschrijving van de Gelderlanders waren drie verschillende auteurs benaderd, die ieder afzonderlijk een hoofdstuk schreven over ‘de Veluwenaars’, ‘de Achterhoekers’ en ‘de Betuwnaars’.(4) Al voor de oorlog was men er blijkbaar van overtuigd dat het menstype ‘de Gelderlander’ niet bestond, althans dat deze bevolkingsgroep in mentaal en karakterologisch opzicht niet eenduidig was.

Niet alleen in (cultureel-)mentaal, ook in landschappelijk opzicht is de provincie enorm divers. De woon-, werk- en leefomstandigheden waarin de Geldersen zich in de loop der eeuwen bevonden, waren dan ook totaal verschillend. Het leven op de Veluwe, waarvan delen tot in de twintigste eeuw nauwelijks ontsloten waren, was niet te vergelijken met dat in het Rivierengebied en inwoners van de dichtbevolkte vestingstad Nijmegen zouden op het Achterhoekse platteland bij wijze van spreken gek zijn geworden van de stilte. Op religieus vlak toont de provincie eveneens een bont gekleurd palet. In het zuidoosten – in De Liemers (dat tot 1816 tot Pruisen behoorde) en het Rijk van Nijmegen – is de bevolking overwegend rooms-katholiek gebleven, terwijl grote delen van de Veluwe daarentegen orthodox-protestants zijn geworden.(5)

Naast de grote tegenstellingen in kerkelijke achtergrond waren ook de Gelderse kiesdistricten verschillend van politieke kleur.(6) Grotendeels was dat een gevolg van de godsdienstige pluriformiteit. Op de Veluwe koos men na de eeuwwisseling veelal voor de orthodox-hervormde christelijk-historischen. In Tiel, Zutphen en Arnhem waren lange tijd de (vooruitstrevende) liberalen het grootst en in Doetinchem en Ede domineerden de antirevolutionairen. Elst, Rheden, Druten en Nijmegen waren stevig in handen van de RKSP. Het kiesdistrict Lochem (waarbij toentertijd een klein deel van Overijssel was gevoegd) ten slotte verkoos in augustus 1901 een sociaaldemocraat.(7) Het districtenstelsel – waarin partijen vaak gedwongen waren stembusafspraken te maken – zorgde tot de invoering van het evenredig kiesstelsel in 1917 soms voor verrassende uitslagen.(8)

In 1917 kwam er het algemeen kiesrecht voor mannen, een paar jaar later ook voor vrouwen. Door de uitbreiding van het kiesrecht – in 1900 mochten nog slechts zo’n 70.000 mannen in Gelderland stemmen – wijzigden de politieke verhoudingen. Na 1918 was het gedaan met de dominante positie van de liberalen.

Tegenwoordig kunnen ‘voor de Provinciale Staten alle Nederlanders stemmen die 18 jaar en ouder zijn en die in de betreffende provincie wonen’.(9)


1. Op 6 april 1814 werd J.C.E. baron van Lynden als gouverneur van de provincie Gelderland benoemd. Op 20 september van datzelfde jaar vergaderden de Gelderse Staten voor het eerst en stelden zij het reglement van orde voor hun werkzaamheden vast. O. Moorman van Kappen, ‘Het provinciaal bestuur van Gelderland in de negentiende eeuw: de ontwikkeling van zijn inrichting en werkzaamheid’, in: Van Gelre tot Gelderland. 650 jaar besturen van Gelderland, verschenen ter gelegenheid van een tentoonstelling in het Nijmeegs Museum ‘Commanderie van Sint-Jan’ (Nijmegen 1989) 53-61, aldaar 55 en 57.
2. Dit tot ergernis van het in allerlei opzichten veel dominantere (van oorsprong graafschap) Holland. F. Keverling Buisman, ‘Het bestuur van het gewest Gelre van 1543-1795’, in: Van Gelre tot Gelderland, 36-45, aldaar 43.
3. Naast Gelderland waren dat de oude gewesten Holland (dat tot de scheiding in 1840 in Noord- en Zuid-Holland één provincie was), Groningen, Friesland, Overijssel, Utrecht en Zeeland. Daar kwamen in 1814 Drenthe en het voormalige Generaliteitsland (Noord-)Brabant bij. Limburg werd pas in 1866 officieel een provincie van Nederland.
4. P.J. Meertens en Anne de Vries, De Nederlandse Volkskarakters (Kampen 1938).
5. Hans Knippenberg, De Religieuze Kaart van Nederland. Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden (Assen/Maastricht 1992).
6. Jac Bosmans, ‘Staande op de drempel. Het beeld van Gelderland in 1900’, in: Dolly Verhoeven (eindred.), Gelderland 1900 / 2000 (Zwolle 2006) 13-19, aldaar 19.
7. W.P.G. Helsdingen (SDAP) won toen in een herstemmingronde – zij het met een nipte meerderheid van 50,23 procent – van zijn liberale opponent mr. H.F. Hesselink van Suchtelen. Zie http://www.verkiezingsuitslagen.nl
8. Zie Ron de Jong, Electorale cultuur en politieke oriëntatie. Verkiezingen in Gelderland 1888-1940 (Hilversum 2005).
9. ‘Wat is kiesrecht en wie mogen er stemmen of gekozen worden?’, http://www.rijksoverheid.nl

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in overzicht artikelen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s