Bouwen aan een modern Gelderland

27.04_Graven_van_het_Apeldoorns_Kanaal_uit_boek_Jan_Vedder
Weliswaar vonden er in het begin van de negentiende eeuw infrastructurele werken plaats – zo werd er begonnen met de aanleg van het Apeldoorns Kanaal (1828-1868) -, toch was het beleid van de provincie tot 1850 vooral gericht op consolidatie/instandhouding. Dat gold niet alleen voor Gelderland, maar ook voor de rest van de provincies. De historicus Auke van der Woud stelt hierover: ‘De jaarlijkse verslagen van de colleges van Gedeputeerde Staten aan hun Provinciale Staten geven hiervoor voldoende aanwijzingen: haar werkzaamheden met betrekking tot de infrastructuren en het gebouwenbestand beperken zich in de regel tot herstel of verbetering van het bestaande, zonder fundamentele veranderingen aan te brengen’.(1)

De provincies gingen wel een leidende rol spelen in het toezicht op de waterschappen, met uitzondering van de zee- en rivierkerende werken, waarvoor Rijkswaterstaat verantwoordelijk was en bleef. De al sinds de Middeleeuwen bestaande waterschappen – die eeuwenlang vrijwel autonoom hadden kunnen opereren – legden zich niet automatisch neer bij de nieuwe gezagsverhoudingen. Met name de Staten van Gelderland moesten een harde strijd leveren om hun recht te laten gelden. In 1838 kwam er met de aanname van het Gelders Rivierpolderreglement op dit terrein uniformiteit in bestuur en beleid. Volgens Thorbecke was de totstandkoming van dit reglement de belangrijkste proeve van provinciale wetgeving.(2)

In 1850 werd de Provinciale wet van kracht. Via het censuskiesrecht werden de leden van Provinciale Staten voortaan rechtstreeks gekozen. De dominante rol van de Commissaris van de Koning werd ingeperkt. Gedeputeerde Staten traden in het vervolg op als het permanente provinciaal bestuur en daarmee nam ook de invloed van de hen controlerende Provinciale Staten toe. Vanaf 1850 werd er een onderscheid gemaakt tussen bestuurskosten – die op de rijksbegroting bleven staan – en de provinciale en huishoudelijke uitgaven, waarvoor provinciale belastingen werden geheven. Vanaf 1905 kreeg de provincie een geheel eigen begroting.(3)

In de periode 1814-1950 hadden de provincies een dubbele functie. Zij waren de schakel tussen het Rijk en de gemeenten en de waterschappen. Besluiten en informatie vanuit Den Haag werden aan deze lagere gremia doorgegeven, andersom stuurde de provincie verzoeken en verslagen etc. door naar het landsbestuur. Naast het waterschap – in het bijzonder de aanleg van provinciale wegen, kanalen en sluizen – waren ook de ziekenhuizen, de zorg voor krankzinnigen, de drinkwater- en de elektriciteitsvoorziening, de ruimtelijke ordening en het vervoerwezen belangrijke provinciale beleidsterreinen. De provincie vulde zaken aan waar het Rijk en de gemeenten zich niet mee bemoeiden.

In 1864 kreeg de provincie Gelderland een aparte afdeling Provinciale Waterstaat (PW). Tot dan toe was de organisatie van de uitvoering van de werkzaamheden een zaak van het Rijk geweest. Al in 1814 was daarvoor Rijkswaterstaat opgericht. De provincie moest lange tijd verplicht gebruikmaken van de expertise van de ingenieurs van deze dienst. Vanaf 1821 – toen zij steeds meer belast werd met de aanleg van bepaalde wegen en waterwerken – mocht de provincie wel eigen personeel aantrekken. Eindverantwoordelijk bleef echter de Rijkshoofdingenieur. Per 1 januari 1865 werd de provinciale ingenieur belast met het toezicht op de uitvoering en het onderhoud van alle werken die uit de provinciale kas werden betaald. Dit betrof met name de kleinere (water)wegen en bruggen en sluizen.(4)

Wie welke bevoegdheden had op het terrein van de infrastructuur, dat is gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw een voortdurend terugkerend punt van discussie geweest. In deze periode ‘kwam bij talrijke gelegenheden de vraag weer op tafel naar wat de Grondwet bij waterstaatskwesties eigenlijk onder “oppertoezicht” verstond en in hoeverre de macht die de wet aan de Provinciale Staten over de regionale waterstaat toekende door het oppertoezicht werd ingeperkt. In dit spanningsveld tussen centraal en decentraal bestuur ontwikkelde zich de systematische reglementering van de waterstaat, die onder andere de verbetering van de infrastructuur als doel had.’(5)

De op- of uitbouw van de infrastructuur was weliswaar een speerpunt van het provinciaal beleid, de provincie had meer taken in haar pakket. Een van de mooiste bronnen die geraadpleegd kan worden is het Verslag van den toestand der Provincie Gelderland over het jaar …., gedaan aan de Provinciale Staten van dat gewest door de Gedeputeerde Staten. Deze werd jaarlijks gepresenteerd in de eerstvolgende zomerzitting. De reeks – die in de periode 1814/15-1825/26 nog geen titel had en niet gedrukt was – loopt van 1814 tot 1946.(6) Deze bron, die decennialang gedrukt werd door de firma G.W. van der Wiel & Co. te Arnhem, geeft iedere jaar weer uitgebreid de taken en werkzaamheden van de provincie weer.(7)

Het Provinciaal Verslag over 1875 kent 16 hoofdstukken.(8) Deze komen in grote lijnen overeen met de beleidsterreinen waarop de provincie zich begaf: ‘I. Bevolking; II. Bestuur en regeling van het provinciale huishouden; III. Huishouding der gemeenten; IV. Medische politie; V. Openbare veiligheid; VI. Nationale militie en schutterijen; VII. Kerkelijke zaken; VIII Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; IX. Armwezen; X Rijksmiddelen; XI Waterstaat; XII Wegen; XIII Landbouw; XIV Jagt en Visscherij; XV. Nijverheid, Handel en Scheepvaart en XVI. Inrigtingen in verband staande met de uitoefening van de handel en andere bedrijven.’

1. Auke van der Woud, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland, 1798-1848 (zevende druk, z.p. 1987) 70.
2. Van der Woud, Het lege land, 73-76.
3. Een zeer bruikbare studie voor wat de bestuurlijke organisatie van de provincie en haar kerntaken is J.G.M. Sanders (eindred.), Noord-Brabant in de negentiende eeuw. Een institutionele handleiding (Hilversum 1993).
4. ‘Geschiedenis van Provinciale Waterstaat’, in: Archieven van het Provinciaal bestuur van Gelderland, deel 4 (Inventaris van het archief van Provinciale Waterstaat in Gelderland 1864-1949 (1955)) (Arnhem 1999) 655-657.
5. Auke van der Woud, ‘Systematisch bestuur’, in: idem, Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland (vierde druk; Amsterdam 2007) 163-183, aldaar 175. Niet alleen dit hoofdstuk over de gevolgen van de Grondwetsherziening van 1848, maar het hele boek is van essentiële waarde voor de beschrijving van het ontstaan van het moderne Gelderland.
6. RAGld, Archieven van het Provinciaal Bestuur van Gelderland, 1813-1849, deel 1 (Provinciale Staten van Gelderland (1814-1959)) (Arnhem 1999) 23.
7. Het Provinciaal Blad van Gelderland, dat vanaf 1815 verschijnt, is een belangrijke bron waar het gaat om de bekendmaking van verordeningen en besluiten van het provinciaal bestuur.
8. In het kader van een vooronderzoek is een aantal verslagen bestudeerd om te kijken of er in bovengenoemd tijdvak sprake is van wijziging van taken/beleidsterreinen.

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in 'bouwsteentjes'. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s