1850: de provincie Gelderland wordt ingedeeld in vier duidelijk te onderscheiden regio’s

hoofdschoutambten
Zoals in het bouwsteentje ‘De adel domineert andermaal’ al is gememoreerd, hielden in de periode 1816-1849 in de provincie Gelderland ‘hoofdschoutambten’ en vanaf 1825 ‘districtscommissarissen’ toezicht op de plattelandsbesturen. De hoofdschoutambten waren onderverdeeld in meer dan 100 schoutambten. Deze ambten vormden een aparte administratief-bestuurlijke eenheid, waarvan het hoofd (de schout) werd geassisteerd door twee leden van de gemeenteraad. In 1825 werd er voor het Gelderse platteland een nieuw reglement in gang gezet, dat pas twaalf jaar later (in 1837) werd voltooid. Toen kende Gelderland vijf (kies)districten: Veluwe, Zutphen, Doesburg, Nijmegen en de zogeheten ‘Benedendistricten’.(1)

J.J. Gosselin, ‘Adjunct-Commies bij het Departement van Oorlog’, stelde in 1817 een boekwerkje samen waarin onder meer de districten en de hoofdschoutambten van de verschillende Nederlandse provincies vermeld stonden. In 1826 kwam er een herziene herdruk. Van alle provincies (zowel de Noord- als Zuid-Nederlandse) kende Gelderland als enige voor het bestuur van het platteland het stelsel van de zogeheten ‘Hoofd-Schout-Ambten’. Zuid-Brabant, Limburg, Namen en Antwerpen kenden ‘arrondissementen’; Noord-Brabant, Luik, Oost- en West-Vlaanderen, Henegouwen en Zeeland ‘districten’. Overijssel en het Groothertogdom Luxemburg waren opgedeeld in ‘kwartieren’.(2)

Gelderland kende achttien steden. Nijmegen, Arnhem, Zutphen, Nijkerk, Harderwijk, Tiel, ‘Kuilenburg’ (Culemborg), ‘Bommel’ (Zaltbommel), Wageningen, Doesburg, Groenlo, Elburg, Hattem, Doetinchem en Lochem kenden een apart ‘stadsbestuur’, waarover de hoofdschouten dus niets te vertellen hadden.(3) De steden Zevenaar, Huissen en Buren maakten wel onderdeel uit van een hoofdschoutambt.(4)

Het was een bijzonder ingewikkeld stelsel.(5) Gosselin geeft op pagina xxxv een overzicht van de ‘Hoofd-Schout-Ambten’, met achter de komma het aantal Schout-ambten.

Overveluwe, 4
Middelveluwe, 3
Nederveluwe, 5
Veluwenzoom, 5
Lochem, 6
Doetinchem, 6
Borculo, 4
Bredevoort, 4
Doesburg, 5
Zevenaar, 5
Over-Betuwe, 8
Rijk van Nijmegen, 9
Neder-Betuwe, 7
Maas en Waal, 7
Tielerwaard, 10
Bommelerwaard, 12
Buren en Kuilenburg, 4

Op het platteland kende Gelderland 104 schoutambten plus de vijftien uit de steden, maakte een totaal van 119 schouten. Wat betreft de bevolkingsaantallen baseerde de adjunct-commies zich op de opgave van 1822. In de vijftien steden woonden in dat jaar iets minder dan 70.000 mensen (68.336 om precies te zijn), op het Gelderse platteland net iets meer dan 200.000 (201.593).

In 1850 – met de invoering van de Provinciewet – werd er gekozen voor een veel logischer bestuurlijke indeling van de provincie. In het Verslag van den toestand… over 1850 staan de namen van de regio’s en hun grenzen zorgvuldig vermeld.

‘Veluwe, gelegen tusschen de Zuiderzee, Overijssel, den IJssel, den Rijn en Utrecht;
Zutphen, gelegen tusschen Overijssel, Pruissen, den Rijn en den IJssel;
Rijn en Waal, gelegen tusschen die rivieren en Zuid-Holland;
Maas en Waal, gelegen tusschen die rivieren, Limburg en Pruissen’.(6)

Op 31 december 1850 woonden er 371.371 mensen in de provincie. Honderdduizend meer dan in 1822. Nog altijd woonde ongeveer een op de vier Geldersen in een van de steden, 97.552 tegen 273.819 plattelanders, maar het percentage stedelingen nam toe. ‘Veluwe’ (let wel: steden en platteland) kende van de vier delen de meeste inwoners, 118.052, op de voet gevolgd door ‘Zutphen’, waarin de steden en op het platteland in totaal 117.529 mensen woonden. ‘Rijn en Waal’ en ‘Maas en Waal’ ontliepen elkaar niet veel, 66.743 tegen 69.049 inwoners.

1. Jan B. Smit, Sporen van moderniteit. De sociaal-economische ontwikkeling van de regio Liemers (1815-1940) (Hilversum 2010) 317.
2. J.J. Gosselin, Alphabetische naamlijst der gemeenten en derzelver onderhoorigheden uitmaken het Koningrijk der Nederlanden; met aanwijzing der arrondissementen, districten, hoofdschoutambten, kwartieren en provinciën, waarin delver gelegen zijn, benevens eene opgave der bevolking van elke gemeente afzonderlijk; waar achter is gevoegd eene opgave der plaatsen, waar postkantoren zijn gevestigd (…) (Amsterdam 1826) p. xxx.
3. D.J.G. Buurman, oud-medewerker van de Gelderse provinciale griffie, schrijft in een bijdrage in het tijdschrift van de vereniging Gelre dat het de dertien steden betrof die ‘vroeger’ op de landdagen stemrecht hadden, daar was Nijkerk – door koning Lodewijk tot stad verheven – bijgekomen alsmede Culemborg, dat door Gelderland, aldus Buurman, ‘was ingelijfd’. D.J.G. Buurman, ‘Schets van de opeenvolgende bestuursindeelingen in Gelderland vóór de invoering van de provinciale wet van 1850, Bijdragen en Mededelingen Gelre, deel LVII (1958) 23-45, aldaar 41.
4. Gosselin, Alphabetische naamlijst, p. xxxiv.
5. De hoofdschoutambten hielden toezicht op onder meer de besturen van de plattelandsgemeenten, zij adviseerden de gouverneur en de staten en waren bovendien hulpofficieren van justitie. Zij hadden allerlei controlerende en toezichthoudende taken, ook op het terrein van de ‘openbare godsdienstoefeningen’ en de ‘openbare veiligheid en rust’. In de steden waren de burgemeesters eindverantwoordelijk. Nijmegen, Arnhem en Zutphen kenden er in deze tijd drie, de overige steden twee. Buurman, ‘Schets van de opeenvolgende bestuursindeelingen’, 40-41.
6. Verslag van den toestand der Provincie Gelderland over het jaar 1850 (Arnhem 1851) 5.

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in 'bouwsteentjes'. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s