Pauperismus

arm

In het boek over 200 jaar Gelderse CdK’s zal ook aandacht worden besteed aan de grote onvrede die in de jaren veertig van de negentiende eeuw onder grote delen van de Nederlandse (en dus ook Gelderse) bevolking leefde. Belangrijkste reden was de belabberde situatie van ’s lands financiën en de daarmee samenhangende armoede waarin steeds grotere delen van het volk vervielen. In 1847 werden de bestuurders van Nijmegen, Arnhem en Zutphen geconfronteerd met rellen naar aanleiding van de sterk gestegen prijzen van onder meer brood en aardappelen. Door slechte oogsten, maar ook door speculatie van handelaren was voedsel voor velen bijna onbetaalbaar geworden. De provinciale bestuurders van Gelderland waren niet blind voor het gevaar dat in de toenemende verarming van de bevolking stak. In het zogeheten ‘Jaarlijksch Verslag’, dat op de vierde juli 1848 – een paar maanden daarvoor hadden Marx en Engels hun Communistisch Manifest gepubliceerd en in april had de liberaal Thorbecke zijn plannen voor een drastische grondwetsherziening ontvouwd – door de Gedeputeerde Staten aan de Gelderse (Provinciale) Staten werd gepresenteerd, is een uitvoerig stuk aan deze problematiek gewijd.

De inhoud van het stuk is te interessant en het taalgebruik te mooi (daarom is het ook letterlijk overgenomen) om de volgers van dit weblog te onthouden.

‘Een der grootste vraagstukken van den tegenwoordigen tijd ligt opgesloten in het nieuwe woord Pauperismus. Dit is aanwezig, wanneer velen zich door groote krachtsinspanning moeijelijk het noodige levensonderhoud kunnen verschaffen of niet verzekerd zijn, dat zij daartoe voortdurend de gelegenheid zullen vinden. Bij zulk eenen kommervollen toestand verzwakken ligchaam en geest: moedeloosheid maakt zich van hen meester; in zinverdooving zoeken zij troost; van kwaad vallen zij tot erger en, wanneer de maatschappij de middelen van bestaan niet naar verhouding van de behoeften eener steeds toenemende bevolking kan vermeerderen, loopt zij eindelijk gevaar, de ramp tot eenen invretenden kanker te zien worden. Wij mogen het niet verbloemen dat dit Pauperismus ook bij ons te lande bij toeneming diepe wortels schiet. Hoe het te keer te gaan? Hoe het uit te roeijen? Moet men vele schreden achterwaarts doen en het gildewezen weder invoeren, om daardoor te veel stands-verheffing en te groote mededinging, als oorzaak van het kwaad, te voorkomen? Moet men de landverhuizing bevorderen, de kolonisatie aanmoedigen, ten einde de overbevolking, zoo zij bestaan mogt, tegen te gaan? Moeten de belastingen alleen op de schouders van de rijken worden gelegd? Kan eene wet afdoende leeniging opleveren? Vermag de Staat door werkverschaffing en bijzondere inrigtingen het euvel te keeren? Zijn de gegoeden bij magte om in de behoeften te voor zien? Is er eenig afdoend middel te beramen? Wij durven hier geen gevoelen uiten, veel minder iets beslissen. Doch hiervan zijn wij overtuigd, dat de gezonde zin van ons volk niet zal gedoogen dat immer de proef genomen worde om het kwaad te willen heelen, door de leerstellingen van het Communismus of Socialismus, in toepassing te brengen en den hechsten band der burger-maatschappij, het eigendoms regt, van een te scheuren. Wij mogten echter van dit onderwerp niet zwijgen. Eerder achtten wij ons, verpligt de aandacht er op te vestigen van allen, die door invloed en vermogen bij magte zijn hier ten goede te werken; dus ook voornamelijk van de Staten dezer Provincie.’

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in 'bouwsteentjes'. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s