‘De beruchte Arnhemsche Courant geeft aan dit kwaad bestendig voedzel…’

1393599764

Waren de eerste decennia na de Franse tijd in velerlei opzicht al niet gemakkelijk geweest, de jaren veertig van de negentiende eeuw waren dat zeker niet. Het Koninkrijk der Nederlanden had grote schulden – de jarenlange strijd tegen de Belgische opstandelingen had daar zeker aan bijgedragen – en die moesten worden afbetaald. In het begin van de jaren veertig bestond maar liefst de helft van alle uitgaven uit rentebetalingen. Een op de zes landgenoten leefde ondertussen van de bedeling. Net zoals elders in Europa kwamen ook in Nederland burgers in verzet tegen het vaak autoritaire bewind van de machthebbers.

Van regeringszijde bleven de opstandige geluiden natuurlijk niet onopgemerkt. Regelmatig werd Den Haag op de hoogte gehouden van wat er zich allemaal in de provincies afspeelde. Collega dr. Hardy Beekelaar heeft in zijn boek Gelderland tussen 1840 en 1850. Rapporten, verslagen en andere stukken omtrent de toestand in de provincie Gelderland, opgemaakt door de gouverneur in de jaren 1840-1849 (Hilversum 1997) een schitterend overzicht samengesteld van wat er allemaal wel niet werd gerapporteerd.

In het Gelders Archief bevinden zich archivalia van het Huis Ruurlo (toegangsnummer 0894). Daarin zitten ook enkele persoonlijke brieven van gouverneur Willem van Heeckeren van Kell (inventarisnummer 162).

Op 2 oktober 1843 stuurde de Minister van Justitie, Floris Adriaan van Hall, een uitgebreide brief aan alle ‘Heeren Gouverneurs der Provinciën’. De brief was ‘zeer vertrouwelijk’. Na verwezen te hebben naar de commotie die de zogeheten ‘Regeling van ‘s Rijks Openbare Schuld’ een paar maanden daarvoor had veroorzaakt en de voortreffelijke wijze waarover daar door de gouverneurs was gerapporteerd, kwam Van Hall bij het nieuwste vormen van oproer.

‘Het is mij namelijk gebleken dat er lieden gevonden worden, diep genoeg gezonken om hun werk te maken van het uitstrooijen van allerlei leugenachtige en lasterlijke praatjes waarbij zelfs de meest eerbiedwaardige personages niet gespaard worden, en die, zoo daaraan geloof gehecht wordt, op den duur zouden leiden tot verscheuring van den band van liefde tusschen Vorst en Volk.’

Andermaal vroeg de minister melding te maken van lieden die dergelijke geluiden lieten horen. Gouverneur Van Heeckeren antwoordde de minister al binnen een paar dagen. In het begin van zijn uitgebreide brief meldde hij ‘dat, gelijk overal, en ook in dit Gewest, zommige personen van allerlei rang en stand gevonden worden die de daden en maatregelen van het Gouvernement onredelijk bedillen, en in een hatelijk daglicht pogen te stellen.’

En vervolgens stak de gouverneur van wal. Helaas zal in het boek over 200 jaar Gelderse CdK’s geen ruimte zijn om de inhoud van deze brief volledig weer te geven. De passages geven echter zo een mooi beeld van wat de gouverneur nu persoonlijk van de recente ontwikkelingen vond, dat wij de volgers van ons weblog deze niet willen onthouden:

‘De beruchte Arnhemsche Courant geeft aan dit kwaad bestendig voedzel – De meeste artikelen van dit onheil verspreidend blad schijnen ondertusschen niet hier te worden gespouwen, maar van elders ingezonden. – Het is waarlijk te betreuren dat de bestaande wetten en verordeningen te zwak zijn, om den moedwil des uitgevers, of der inzenders van zoo veele schandelijke redeneringen, te beteugelen.

Voor stoornis van orde rust valt echter in Gelderland niets te vrezen, en zoo lang ik aan het hoofd van het gewestelijke Bestuur sta, zoude ik, door klemmende maatregelen, onverhoopt ontstaande beroeringen wel in de geboorte weten te smooren.’

De brief gaat dan verder:

‘Door de onbeperkte mededinging – het rondzwerven van met patent voorziene vreemdelingen, en het vestigen van spoedig weder bankeroet makende winkeliers uit andere oorden, kwijnt thans ongelukkig in Gelderland de neering doende stand – De Roomsch katholijke propaganda rigt daarteboven in de aanzienlijke steden uitgebreide magazijnen, en door de snelle omzetting van kapitalen, de waaren met geringe winsten kunnen worden omgezet, geeft zulk den doodsteek aan de kleine kooplieden, en winkeliers, welke dan in ontevredenen veranderen, even gelijk uitvallende ambtenaren, op pensioen gestelde militairen, enz.’

En dan lucht Van Heeckeren verder zijn hart:

‘Iets dat een zeer kwaade indruk maakt – Uwe Excellentie eischt toch dat ik onverbloemd spreek – is de slapheid, en weinige kleur, welke er bij het Gouvernement bestaat. – Wanneer Uwe ziet, dat dezer die zich tegen de Regering verzetten, en luide schreeuwen, met eer en ambten worden begunstigd, en hun doel bereiken terwijl de rustige brave en kundige man gedurig moet achterstaan, werkt zulks nadeeliger dan men denkt.’

Hij liet vervolgens weten dat niet al zijn voorstellen hoefden te worden nagevolgd. ‘Maar’, zo vervolgde hij, ‘kan niet ontveinzen, dat het mij ten uiterste hindert, wanneer mijne goede bedoelingen miskend, en mijne maatregelen niet gehandhaafd worden; en dat, zonder gehoord te zijn, in Gelderland ambten worden begeven, waardoor de zedelijke invloed, welke een Gouverneur behoort te bezitten, verlamd.’

Van Heeckeren had naar eigen zeggen nooit ‘onwaardige of tegen het Gouvernement gezinde kandidaten begunstigd’. Op het eind van de brief stelde hij de minister, mocht deze twijfelen aan de loyaliteit van de Gelderse gouverneur:

‘Zoo lang ik mijne tegenwoordige betrekking bekleede, zal ik, als ijverig dienaar van vorst en regering, handelen, en bij al die / hetgeen God verhoede! / eenmaal weder moeilijke omstandigheden moghen geboren worden, hoop ik te bewijzen, dat de welvaart des vaderlands mij boven alles ten harte gaat.’

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in 'bouwsteentjes'. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s