‘In Arnhem heeft men mij steeds den voet dwars gezet…’

Burgemeest_Van_Hugenpoth_kl

Een van de interessantste facetten van de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden is de emancipatie van het rooms-katholieke volksdeel. In de door calvinisten gedomineerde Republiek werden ‘paapsgezinden’ gewantrouwd en achtergesteld. De Bataafse omwenteling van 1795 maakte een einde aan de voorkeursbehandeling van aanhangers van de gereformeerde religie en vanaf dat moment maakten ook katholieken kans op benoemingen in invloedrijke publieke ambten. In de eerste decennia van het koninkrijk werden zij, zeker na het uitbreken van de Belgische Opstand in 1830, echter weer zoveel mogelijk buitengesloten. De politieke en ambtelijke elite was andermaal door en door protestants – al hing het gros inmiddels een verlichte vorm van dat geloof aan – en die liet nauwelijks of geen andersdenkenden toe.

Sommige katholieken legden zich niet automatisch neer bij het feit dat zij niet langer in aanmerking kwamen voor de betere overheidsfuncties. Op 15 februari 1837 schreef Joannes Nepomucenus – deze bijzondere voornamen dankte hij aan de vernoeming naar de Boheemse rooms-katholieke martelaar en heilige – Wilhelmus Antonius baron tot Aerdt, notaris en advocaat in Arnhem, onderstaande brief aan de Gelderse gouverneur baron Van Heeckeren van Kell. Deze Hugenpoth, in 1789 geboren op huis Aerdt in Herwen, was een zoon van een van de eerste Gelderse gedeputeerden, Godefridus F.A.H.C. Zijn broer Alexander W.J.J. was in 1809 op 29-jarige leeftijd door koning Lodewijk Napoleon benoemd, naar verluidt omdat hij katholiek was, tot minister van Justitie en Politie.

De katholieke jurist begint zijn brief aan de gouverneur met de melding dat hij besloten heeft de Gelderse provinciehoofdstad te verlaten. Zijn huis heeft hij inmiddels verkocht en hij weet nog niet waar hij zich zal gaan vestigen.

‘Zulks zal er van afhangen of ik in mijn vaderland, door s’ konings welwillendheid, nog in eenige betrekking zal geplaatst worden, dan wel of ik buiten ’s lands het fortuin mijner vijf zoonen zal moeten gaan opspooren. In Arnhem heeft men mij steeds den voet dwars gezet, en de vooringenomenheid tegen mij, hieruit, waarschijnlijk ook bij UHWGeb. (Uwe Hoog WelGeboren (Heer)), ontstaan, zal mij niet behulpzaam wezen, ter bevordering mijner kinderen; daarbij ben ik ronduit gezegd, van oordeel, dat men geene Catholijken meer tot eenige posten van de minste consideratie in deze en meer andere Provinciën des Rijks wil bevorderd hebben. – Bedrieg ik mij in dezen…… is het bloot toeval dat ze overal voorbijgegaan worden,…… dan bid ik UHWG. mij te vergeven, dat ik zonder omwegen mijn zienwijze openbaarde,…… Hij, die zich niet verstelt, die zijne meening onbewimpeld uit, is geen verrader……’.

Dan wijst Hugenpoth op twee functies die op dat moment vacant waren, die van districtscommissaris van Zutphen en Zevenaar (oftewel de Achterhoek en De Liemers) en die van Over- en Nederbetuwe.

‘Konde het nu met de zienwijze van UHWGeb. overeenkomen, om mij tot een van deze beide posten voor te dragen, dit zou mij zeer vleijen. – Zulks zou mijne vaderlandsliefde verlevendigen, en, aan mijne, steeds bestaanhebbende aanhankelijkheid tot het regerend huis, nieuw voedsel geven. Ik zou mij, dusdoende, verzekeren, dat, wanneer eenmaal mijne zoonen voor vorst en vaderland te velde trekken, zij ook voor eigen heil en geluk vechten, en dat zij later, onpartijdig zullen beloond worden. – Deze spoorslag is en blijft toch de krachtdadigste en door dezen wordt de band tusschen vorst en onderdaan het naauwst toegehaald.’

Vervolgens geeft Hugenpoth in zijn schrijven aan de gouverneur te kennen dat hij de koning om een benoeming tot rechter in Den Bosch heeft gevraagd, ‘want in die provincie worden nog Catholijken benoemd’. Een verhuizing naar Brabant zou echter betekenen dat hij ver van zijn bezittingen in het Overijsselse Goor kwam te wonen. Sinds 1829 was hij eigenaar van het Huis Heeckeren (niet te verwarren met het goed Heeckeren tussen Emmerik en Elte, waar de stamvader van de gouverneur Van Heeckeren van Kell vandaan kwam). Hugenpoth zou liever daar gaan wonen, dan ‘op mijne jaren te expatriëren’.

‘Ik voed, intusschen nog altijd altoos de hoop, dat het door mij bedoelde besluit der Regering, direct of indirect, niet bestaat, dat UHWGeb. mij tot den post van Districts-Commissaris voor de afdeeling Zutphen en Zevenaar niet onwaardig, noch onbekwaam zal oordeelen…. Want aldaar zou ik, wegens de nabijheid van Heeckeren, mij altoos het liefst vestigen, op elke plaats door het Gouvernement te bepalen.
In alle gevallen bezweer ik UHWG. om mij mijne vrijpostigheid ten beste te duiden mij dit openhartig schrijven niet kwalijk te nemen.
Mogt UHWG. mij over de inhoud dezes, mondeling willen spreken, dan verzoeke slechts dag en uur te willen bepalen.
Met hoogagting en eerbied heb ik de eer mij te noemen

HoogWelGeboren Heer!

UHWGebs. onderdanige gehoorzame Dienaar

J.N.W.A. Hugenpoth tot Aerdt’

Ondanks deze openhartige smeekbede kreeg Joannes Nepomucenus niet de door hem zo gewenste benoeming tot districtscommissaris. In 1838 liet hij Heeckeren veilen. Het huis werd gekocht door zijn oudste broer Alexander.

Zijn hele leven was hij erop gefocust niet om zijn religieuze achtergrond te worden achtergesteld. In 1822 had hij het lidmaatschap van de Gelderse ridderschap geweigerd, toen hij te horen kreeg urenlang te moeten wachten voordat hij werd toegelaten tot de admissiecommissie. Het is niet onwaarschijnlijk dat Joannes dacht dat men hem zo lang liet wachten, omdat hij rooms-katholiek was.(1)

Joannes’ kinderen kregen een strenge katholieke opvoeding. Zijn zoon Carolus Antonius Ludovicus – wiens portret bovenaan dit artikel staat – kreeg het in april 1872 aan de stok met het provinciaal bestuur, omdat hij als burgemeester van de overwegend katholieke gemeente Bergh de 300-jarige herdenking van de inname van Den Briel door de Watergeuzen niet op passende wijze had willen vieren. Over deze rel meer in een volgende ‘bouwsteen’.

(1) Coen O.A. Schimmelpenninck van der Oije, ‘Van gewest naar vaderland: adel en ridderschap, 1789-1850’, in: Ingrid D. Jacobs, (eindred.), Adel en ridderschap in Gelderland. Tien eeuwen geschiedenis (z.p. 2013) 227-270., aldaar 258.

Advertenties

Over bobenjonnmakeneenboekje

Bob Roelofs (1956) is een geboren en getogen Arnhemmer, studeerde Geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en was 17 jaar leraar Geschiedenis aan het Liemers College te Zevenaar. Hij was raadslid en fractievoorzitter van D66 in de Arnhemse gemeenteraad (1999-2003). Sinds 2003 is hij griffier van Provinciale Staten van Gelderland. Over Arnhem publiceerde hij drie boeken: Vernieling en Vernieuwing, de wederopbouw van Arnhem (Matrijs, 1995), Huis der Provincie, Het 'Kasteel' op de Markt (Matrijs, 2008) en samen met Jan de Vries de Canon van Arnhem (Bezoekerscentrum Sonsbeek 2008), In 2011 werd hij voor zijn verdiensten in het Arnhemse benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Jonn van Zuthem (Zwolle 1967) studeerde nieuwste geschiedenis in Nijmegen en kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. In 2001 promoveerde hij op ‘Heelen en halven’ Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De laatste jaren is hij vooral actief op het terrein van de regionale geschiedenis. Zo schreef hij de hoofdstukken 'Een nieuwe provincie 1815-1848' en 'Een samenleving met schakeringen' in deel III Nieuwste Tijd - Heden van de driedelige Geschiedenis van Groningen (2009). Eind september 2012 werd zijn langverwachte boek Harde grond. Kerkelijke verhoudingen in Groningen, 1813-1945 gepresenteerd.
Dit bericht werd geplaatst in 'bouwsteentjes'. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s