Terlouw, 1991-1996, Mister Gelderland

1570355
Op 28 oktober 1991 werd Dr. J. C. Terlouw in Huis ten Bosch door Koningin Beatrix beëdigd als Commissaris van de Koningin van Gelderland. Op 1 november werd Terlouw door de griffier C. Crasborn in Amersfoort opgehaald voor zijn eerste werkdag en op 8 november vond de officiële installatie in een Buitengewone Statenvergadering plaats. Terlouw werd vanuit Gelderland breed voorbereid voor zijn nieuwe functie. Hij werd geïnformeerd over zijn normale werkweek, zoals op maandag regulier overleg met chef kabinet en op dinsdag GS-vergaderingen. Een dienstauto met chauffeur voor woon-werkverkeer en dienstreizen werd ter beschikking gesteld. Ook kreeg Terlouw het Reglement van Orde van GS en PS, de toespraak van waarnemend Commissaris dr. Ir. A.P. Oele t.g.v. het 25-jarig bestaan Regio Arnhem, de IPO-nota Europa en de notitie Gelderland kent geen grenzen, opgestuurd.

Terlouw had in Utrecht wis- en natuurkunde gestudeerd om daarna dertien jaar hoofd van een researchgroep in het FOM-instituut te zijn. Een wetenschapper, die zich bezighield met het Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM), het bracht hem o.a. in de Verenigde Staten en Zweden. Het jaar 1970 was voor Terlouw een kantelpunt. Hij werd kinderboekenschrijver én met veel succes, zoals Oorlogswinter (1972) en Briefgeheim (1973). Terlouw ging in 1970 ook de politiek in, eerst in de gemeenteraad van Utrecht en vanaf 1973 als Tweede Kamerlid/lijsttrekker. Terlouw werd hét gezicht van D66 en kreeg in 1981 dankzij de verkiezingsoverwinning als vicepremier en minister van Economische Zaken een prominente plek in kabinet Den Agt II en III. Het kabinet was geen lang leven beschoren, na 260 dagen gooide de PvdA de handdoek in de ring. In 1982 verliet een teleurgestelde Terlouw na een grote verkiezingsnederlaag met stille trom de Nederlandse politiek. In Parijs vond hij in de anonimiteit als secretaris-generaal van de Europese Transportministers een nieuwe uitdaging. De routine sloop er na verloop van tijd toch in en er verdween iets van de inspiratie. Maar het leek alsof Terlouw in de Nederlandse politiek passé was, hij voelde zich zelfs ook genegeerd door zijn eigen partij. Op 59-jarige leeftijd keerde hij als Gelderse Commissaris van de Koningin terug in Nederland. Een functie waarin Terlouw boven de partijen kon staan. De verwachtingen waren hoog gespannen.

Wordt vervolgd

Advertenties
Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

De Bruijne, 1983-1991, de welkome onbekende

15087g
Op 16 november 1983 werd de VVD’er Matty de Bruijne de opvolger van Geertsema. De nieuwe Commissaris had veel ervaring in de gemeentelijke en provinciale politiek. Hij was twaalf jaar raadslid in Amersfoort geweest (1962-1974). Daarnaast was De Bruijne vanaf 1966 Statenlid van Utrecht en vanaf 1974 ook Gedeputeerde. In tegenstelling tot Noord-Brabant met Commissaris der Koningin Dries van Agt en Friesland met Hans Wiegel kreeg Gelderland een relatief onbekende Commissaris. Een organisatieman die al snel duidelijk maakte dat hij geen kasteelheer op Middachten zou worden. De Bruijne had weg- en waterbouwkunde op de HTS in Rotterdam gestudeerd en werkte onder andere mee aan de realisatie van de Velzertunnel. Daarna werd hij hoofd van de Afdeling Opleidingen van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf om uiteindelijk als Gedeputeerde van Utrecht de overstap te maken naar de functie van Commissaris der Koningin. Het was voor Gelderland de eerste keer dat een Commissaris zijn sporen had verdiend op het bestuurlijke niveau van een provincie, een groot contrast met Geertsema die als bekende Nederlander naar Gelderland kwam.

Zoals in de Gelderse geschiedenis al vaker was voorgekomen, verliep de procedure voor een nieuwe Commissaris verre van vlekkeloos. Het politieke gekibbel begon in april 1983 toen de CDA-fractie in een besloten bijeenkomst met de fractievoorzitters (het zogeheten seniorenconvent) een CDA-profielschets aan de aanwezigen uitreikte. Deze stap was ingegeven door het feit dat in de Gelderse samenleving de katholieke en de protestants-christelijke identiteit sterk vertegenwoordigd was. De voorzitter van de Gelderse VVD-Statenfractie J.de Bondt noemde deze CDA-actie in een persverklaring getuigen van onbegrensde arrogantie, gekoppeld aan weinig realiteitszin. De verdeling van de Commissarissen in Nederland op dat moment, uitgezonderd Gelderland, was dat er vijf van CDA, drie van VVD en drie van PvdA-huize waren. De Bondt was dan ook van mening dat de nieuwe Commissaris een VVD’er moest zijn. Hij stelde ook een ultimatum: de VVD kwam pas terug in het besloten seniorenconvent als de CDA-claim van tafel was.

Wordt vervolgd

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

Geertsema, 1973-1983, kasteelheer Middachten

-010
Op 17 november 1973 werd oud-burgemeester, oud-Tweede Kamerlid en oud-minister en prominent VVD-lid Mr. W. J. Geertsema benoemd tot Commissaris der Koningin van Gelderland. Zijn koosnaam uit het Leidse studentenleven, Molly vanwege zijn omvang, was verworden tot zijn roepnaam. Met hem kreeg Gelderland een politiek zwaargewicht van nationale allure in huis. Net als zijn voorgangers Quarles van Ufford en Bloemers was het ambt van Commissaris der Koningin voor Geertsema het sluitstuk van een bestuurlijke carrière. Alle drie bleven ze Commissaris tot hun pensioen, hadden de studie rechten voltooid en waren van goede afkomst. Alleen was bankierszoon Geertsema, net als Bloemers, niet van adel. De tien Gelderse jaren van Geertsema kunnen markant en kleurrijk genoemd worden. Aan anekdotes is dan ook geen gebrek.

Bij de installatie werd de nieuwe Commissaris door PS hartelijk welkom geheten. KVP-voorman mr. C.H.B. Winters benadrukte dat overal waar de heer Geertsema een functie had vervuld, men hem met tegenzin had laten gaan. Winters gaf meteen een helder signaal af: gemeenteraden moesten inspraak krijgen bij de burgemeestersbenoemingen in Gelderland en de democratisering moest bevorderd worden. Geertsema pakte dit signaal meteen op. De betrokkenheid van burgers zou worden vergroot door meedenken en meespreken, maar de beslissing moet altijd blijven liggen bij de gekozen vertegenwoordigers. Hij beloofde ook dat hij de Gelderse samenleving snel wilde leren kennen, de gemeentebezoeken waren daarvoor een geschikt middel.

Hij herkende zich niet in het beeld dat hij boven de partijen zou staan: ‘die woorden hebben voor mij een denigrerende klank, zo van al dat politieke gedoe, daar sta ik boven. Te lang ben ik met hart en ziel in de politiek werkzaam geweest om dat zelfs maar te kunnen denken.’(1) Over zijn Haagse netwerken en hoe daar mee om te gaan, was hij ook kraakhelder: ‘een goed Commissaris draagt de sleutel van alle Haagse openbare deuren aan zijn sleutelbos en een breekijzer in zijn achterzak. Hij hanteert ze beide met fluwelen handschoenen, die evenzeer tot zijn ambtelijke bagage horen en hij doet dat slechts in nauwe samenwerking met het college van GS.’(2) Geertsema besloot zijn eerste rede als Commissaris met een hartelijk woord gericht aan het adres van zijn voorganger. Bloemers had zijn functie op een uitnemende wijze vervuld, zijn opvolger te mogen zijn was zeker geen eenvoudige taak.

Wordt vervolgd

(1) Notulen Provinciale Staten van Gelderland, Verslagen van de vergaderingen, 16 november 1973. Verslagen deel 1, p. 17.
(2) Ibidem, p. 15.

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

Bloemers, 1957-1973, geboren magistraat

-006
Op 1 april 1957 werd na burgemeesterschap in Roden, Assen en Deventer Mr. H.W. Bloemers tot zijn grote vreugde benoemd tot Commissaris der Koningin van Gelderland. De KVP-minister van Binnenlandse Zaken, A.A. Struycken, had eerst gesprekken gevoerd met kandidaten van CHU- en VVD-huize. Het leek erop dat de politieke kleur bepalend zou worden voor een benoeming. Maar de minister koos een andere weg met zijn keuze voor de partijloze Bloemers. In een interview in 1957 gaf Bloemers aan dat hij na de oorlog overwogen had zich aan te sluiten bij de Nederlandse Volks Beweging (NVB). Het doel van deze beweging was het doorbreken van het Nederlandse zuilensysteem. Dit mislukte omdat de katholieken, protestanten, socialisten en in mindere mate de liberalen bleven vasthouden aan hun eigen organisaties. De PvdA kwam als doorbraakpartij ook nog in beeld, maar Bloemers was liever niet ingedeeld, hij had het niet op partijpolitiek. Hij was de eerste Gelderse Commissaris die niet van adel was, maar nam als jurist juist heel veel bestuurlijke ervaring mee en was toe aan een nieuwe uitdaging. Hij had er niet op gerekend, maar het was voor hem dé uitgelezen mogelijkheid voor een verandering. Hij had in zijn persoonlijke leven veel moeilijkheden gehad, zeker ook na het overlijden van zijn vrouw wilde Bloemers weg uit Deventer. Euforisch werd hij echter niet van de benoeming. Toen het nieuws bekend werd was hij voor de pers onbereikbaar. Hij had het niet zo op publiciteit.

De wens van het burgemeesterschap zat er al vroeg in bij de jonge burgemeesterszoon Bloemers. Als leerling van het Arnhemse Stedelijk Gymnasium sloeg hij nauwelijks een raadsvergadering in Rheden over, waar zijn vader burgemeester was. Zijn ambitie was om net als zijn vader op 25-jarige leeftijd burgemeester te zijn. Dat moet ongeveer als volgt zijn gegaan. Eerst bezocht hij als 23-jarige afgestudeerde rechtenstudent de Commissaris van de Koningin in Groningen, Jhr.Mr. Alidius W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwereen, goede vriend van zijn vader. ‘Ik wil graag burgemeester worden en zou dus nu moeten gaan volontairen op een secretarie. Maar ik zou eigenlijk liever eerst een paar jaar iets anders doen, wat vindt u?’(1) De Groningse Commissaris vond het een goed idee en dus was Bloemers eerst twee jaar advocaat in Amsterdam voordat hij op 1 maart 1934 burgemeester van Roden werd, een gemeente van 5000 inwoners, hemelsbreed vijftien kilometer van Groningen waar zijn vader inmiddels burgemeester was. In de oorlog aanvaardde hij onder Duitse druk het burgemeesterschap van Assen. Door zijn tolerante houding tegenover joden en de aanwezigheid van een NSB-wethouder werd hij in 1942 ontslagen en moest zelfs onderduiken.

Wordt vervolgd

(1) Mispelblad, 1973, nr.1, p. 19.

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

Quarles van Ufford, 1946-1957, christelijk-historisch

Jhr. CGC Quarles v. Ufford 1944
Op 1 maart 1946 werd Jhr. Mr. Cypriaan Gerard Carel Quarles van Ufford Commissaris der Koningin in Gelderland. Er wachtte hem een zware taak. Gelderland was de zwaarst getroffen Nederlandse provincie en steden als Nijmegen en vooral Arnhem waren er slecht aan toe. In Arnhem waren de huizen en fabrieken systematisch leeggeroofd. Slechts 150 van de 25.000 Arnhemse woningen hadden geen oorlogsschade. Handen uit de mouwen werd het motto en met veel energie werd gestart met het herstel en de wederopbouw.

Quarles van Ufford was net als zijn voorganger van adellijke afkomst. Geboren in Bennekom en zijn schooltijd grotendeels in Ede en Arnhem doorgebracht hebbende, kan hij met recht een Geldersman genoemd worden. Hij promoveerde in 1918 aan de Rijksuniversiteit van Utrecht in de rechtswetenschap. Promotor was Jhr. Prof. Mr. B.Ch. de Savornin Lohman, een neefje van Alexander Frederik, de oprichter van de CHU. Van Uffords proefschrift De plaats der arbeiderskassen in de ziekteverzekering illustreert zijn sociale betrokkenheid en politieke achtergrond.

Bijna 30 jaar oud maakte hij in 1919-1920 met twee Utrechtse studievrienden een reis naar het Verre Oosten die zijn leven zou veranderen. Voor deze reis moest hij zijn baan als waarnemend gemeentesecretaris in Zwolle opzeggen. In een gesprek hierover met de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Mr. J.B. Kan, kreeg hij, toen hij zijn ambitie voor het burgemeestersambt uitsprak, een duidelijk advies: ‘Wilt u burgemeester worden, dan moet u gaan. We hebben in Nederland behoefte aan burgemeesters met een brede blik’.(1)

Bij terugkomst verliep zijn carrière als gewenst. Hij werd in 1923 Griffier der Staten van Utrecht. In zijn vrije tijd was hij onder meer actief als diaken van de Nederlandse Hervormde Kerk in Utrecht en als bestuurder van de Nederlandse Vereniging voor Armenzorg en Weldadigheid. In 1934 werd hij benoemd tot burgemeester van Apeldoorn.

Wordt vervolgd

(1) Uit het gesprek met zijn zoon, Jhr. Dr. C.C.G. Quarles van Ufford, d.d. 6 november 2013.

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

Van Heemstra, 1925-1946, antirevolutionair

schilderij Heemstra voorkant
Op 16 april 1925 werd Mr. Schelto baron Van Heemstra de opvolger van Jonkheer Schelto van Citters. Van Heemstra paste in vele opzichten naadloos in de functie van Commissaris der Koningin. Schelto had met succes aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn studie rechten afgerond en was ook zelf als lid van het handelshuis en administratiekantoor Tiedeman & Van Kerchem een vermogend man geworden.

Maar zijn benoeming was ook een breuk met het verleden. Hij had geen ambtelijke carrière doorlopen zoals zijn voorganger en kon ook wat betreft politiek-bestuurlijke ervaring niet in de schaduw van Van Citters staan. Hij was dan wel de zoon van een Kamerlid, maar het lidmaatschap van de gemeenteraad van Batavia, 1919-1920, was het enige dat Van Heemstra kon opvoeren als ‘bestuurder’.

Van Citters was midden jaren ‘20 de enige antirevolutionaire Commissaris en deze Gelderse plek wilde de ARP graag behouden. De katholieken lagen echter op de loer. De opmars van de katholieken na de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen had geresulteerd in twee kabinetten geleid door een katholiek, de Limburgse edelman Charles Ruys de Beerenbrouck (1918-1922 en 1922-1925). De katholieken bezetten 30 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. In de Gelderse Staten was de Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP) de grootste fractie met 19 van de 62 zetels. Dus de roep om een katholieke Commissaris der Koningin in Gelderland was dan ook niet verwonderlijk. Maar zover kwam het echter niet.

Wordt vervolgd

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen

Van Citters, 1909-1925, bruggenbouwer met magistrale kwaliteiten

CITTERS

Jonkheer Schelto van Citters, heer van Gapinge, werd op 13 januari 1865 geboren in de hofstad Den Haag. Als zoon van de referendaris Eduard van Citters was hij voorbestemd om ook voor de rijksoverheid te gaan werken. Zijn moeder Sara Maria was een dochter van Schelto baron van Heemstra, een van Thorbeckes liberale Negenmannen die na 1848 echter steeds conservatiever was geworden. Opa van Heemstra was onder meer CdK van de provincies Utrecht (1850-1858) en Zeeland (1858-1860) en daarna nog twee jaar minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier van de kabinetten Van Hall en Van Zuylen van Nijevelt.

Van Citters begon omstreeks 1891 op het departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid en stapte in 1903 over naar het ministerie van Financiën. Van Citters werd begin 1903 weduwnaar van Wilhelmina Sophia Roijaards, met wie hij in april 1902 was getrouwd. In oktober 1905 trouwde hij met dan 35-jarige Agatha Johanna, een dochter van de inmiddels conservatief-liberale voorzitter van de Eerste Kamer Albertus van Naamen van Eemnes. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Abraham Kuyper, de grote voorman van de ARP, haalde Schelto van Citters over om de politiek in te gaan. In februari 1907 versloeg hij tijdens tussentijdse verkiezingen in het kiesdistrict Ede de liberaal P. Tideman en werd hij Tweede Kamerlid. In datzelfde jaar nam hij ook zitting in de gemeenteraad van Den Haag. Van Citters had blijkbaar veel talent, want in 1908 werd hij voorzitter van de Bond van antirevolutionaire gemeenteraadsleden. In de Kamer hield hij zich bezig met energie, handel en verkeer, beleidsterreinen waarop hij zich als topambtenaar jarenlang had bewogen.

In mei 1909 werd hij benoemd tot CdK in de provincie Gelderland. Dat ambt zou hij van 1 augustus 1909 tot 16 april 1925 bekleden. Van Citters was de eerste Gelderse CdK zonder aantoonbare Gelderse wortels – die lagen toch vooral in Zeeland en van moederskant in Friesland en Groningen – en de eerste van een uitgesproken orthodox-protestantse (lees: hervormde) signatuur. Toch stelde hij zich niet op als een vertegenwoordiger van de ARP, integendeel, hij schaarde zich in alle gevallen, zoals dat een CdK in die tijd betaamde, achter het gevoerde regeringsbeleid. Van Citters was onmiskenbaar conservatief en streng gelovig, maar was aan de andere kant – het een sluit het ander niet uit – ook een sociaal voelend mens. …

Wordt vervolgd

Geplaatst in de commissarissen | Een reactie plaatsen